Time to talk about my first Bruce Springsteen show. This next bit will be in Dutch, so hold on to your knickers.

Wat is dat de laatste tijd toch met Bruce Springsteen? Die vent is nu toch al veel te oud om nog op een podium te staan rondspringen eh, mwoah mwoahahaha! Nu even niet, Geert Hoste. U heeft ongelijk. Als er één zestiger – nu ja, eigenlijk negenenvijftiger, maar dat bekt niet zo goed – is die het verdient om vandaag, na vijventwintig (!) albums, nog steeds miljoenen mensen te beroeren met zijn opzwepende muziek is het The Boss wel. Zelf leerde ik Bruce pas echt kennen, muzikaal dan, via zijn Magic-cd die dit jaar verscheen. Een plaat waar hij naar goeie gewoonte van leer trekt tegen alles wat er fout loopt in de Verenigde Staten. Maar, veel belangrijker, een album vol met steengoeie songs, de één nog catchyer dan de andere. De week nadat ik Magic grijs gedraaid had – voor zover dat op een mp3-spelertje van nog geen twintig euro uit de Makro mogelijk is – besloot ik dan maar om ook de brave man zijn vorig werk eens te beluisteren.
Tot de tanden gewapend met kleingeld trok ik naar de lokale bibliotheek waar ik onverwijld een stuk of zes cd’s en een dvd van Bruce ontleende. De volgende avond bekeek ik de dvd, diegene waarin hij met de E Street Band zijn grootste hits op het New Yorkse publiek afvuurt. Waarschijnlijk heet ‘ie Bruce Springsteen & The E Street Band – Live In New York City. Maar ik zou me kunnen vergissen. Afijn, tijdens het tweeënhalf uur durende concert ben ik meermaals enthousiast uit de zetel opgesprongen, al kon dat ook gelegen hebben aan mijn traditionele zaterdagavondse diarree-aanvallen. Maar goed, the point being dat het lang geleden was dat ik zo’n oude vent met zo’n ongelooflijke energie op een podium had zien staan. Sterker nog: ik hád nog nooit zo’n oude vent met zo’n ongelooflijke energie op een podium zien staan. Een paar uur later was mijn ticket voor zijn optreden in het Sportpaleis besteld.

Ik geloof dat het toen oktober was. Twee maanden vol zenuwen en zaterdagavondse diarree-aanvallen later was het woensdag eindelijk tijd voor le moment suprême: ik ging The Boss live aan het werk zien! Met de E Street Band dan nog! Een band waarin één van de Sopranos gitaar speelt en een grote neger saxofoon speelt en grappige geluidjes maakt! Dat kon niet mislopen! Helaas besloot de NBMS er anders over. Ik geloof dat hun officiële aankondiging iets was in de trend van: ‘Geachte treinreizigers, bij deze delen wij u mee dat u deze grillige winteravond allemaal ons kloten kunt kussen.’ Mensen die per spoor naar Antwerpen wilden reizen, bleven steken in Gent, waar het treinpersoneel weeral eens geen goesting had om te werken. De klootzakken.
Gelukkig was daar nog Ellen, een ravissante, een rayonante – geen idee of het woord in deze context goed gebruikt is maar ik zocht een alliteratie die schitterend betekent – een rechtdoorzeese, een remarquabele, ruimhartige en rondborstige – pervert! – dame met, kom nog eentje, ravenzwarte haren. En een auto! Een auto waar ik mij met mijn, het mag gezegd worden, goddelijke lijf in mocht neervlijen om vervolgens in een andere wagen met haar pa, Springsteen-fan van het eerste uur, en drie andere heren uit Zulte alsnog naar de Kapitool, of hoe noemen die Antwerpenaars het nu weer, te rijden. Heil Ellen, Heil.
Enfin. Na een doldwaze autorit vol gesprekken over het Zultese industrieleven en de intrigerende relaties van ‘Caroline Voet met den diene uit de rijke gebuurte’, of iets in die aard, kwamen de kranige veertigers en ondergetekende, de goddeloos knappe twintiger, aan in Nederoverheembeek. Maar daar moesten we helemaal niet zijn, dus zijn we verder gereden naar Antwerpen. Daar werd druk afgesproken met celebrities als Milow. Toen hem gevraagd werd wanneer het concert begon, antwoordde hij spontaan: ‘I don’t know, I don’t kno-ow!’ Verdomme, wat ben ik toch een dekselse grapjas.
Maar serieus nu. Een halfuur voor Bruce van start hoorde te gaan, stapten we, niet zonder enig gevoel voor dramatische entrees, de Belgische muziekkathedraal binnen. Onze ervaring uit de Vietnam-oorlog deed ons, als ware het een tweede natuur, meteen tactisch over de inkomhal verspreiden als, nu ja, een bende soldaten in de jungle op patrouille. Wat een belachelijke en totaal irrelevante metafoor. Na een smakelijk bakkie patat – frieten voor de vrienden – geserveerd door een al even smakelijke blondine en een smakelijke cola, geserveerd door een jammer genoeg wat minder smakelijke vent, waren de hongerigen gevoed en de dorstigen gelaagd. Alé, ik toch. Naar binnen dus! Mijn gevoel voor het dramatisch bovenhalen van toeganstickets indachtig, zwierde ik op een vrij dandyeske wijze mijn blaadje papier waar ik 75 euro voor betaald had – goe zot gij! -naar de controleur, wierp de flamboyante schoon madam naast hem een schalkse blik toe, kreeg een minder vriendelijke blik terug om ten slotte – gaat er hier nu godverdomme eigenlijk nog iets over Bruce verteld worden?! – mij tussen een bende Nederlanders in het middenplein van het Sportpaleis te nestelen. ‘Hey Joop, der staat hier zo’n lange voor mij joh!’ Kom jong, ga nog wat tulpenbollen planten.

Bruce nam zijn tijd: hij begon een half uur later dan gepland. In de tussentijd hield ik me bezig met het aantal bandshirts van Bruce rondom mij te tellen (veertien binnen een straal van pakweg tien meter) en met bv’s spotten. Pim, ReBorn, Milow (‘Nee, I don’t know wanneer dat hier gaat beginnen!’) maar ook Natalia en, mijn god, Caroline Gennez. Moet gij geen regering vormen wijveke? Na enig gemelk van Hollanders en de obligatoire zattemansklap van enkele Antwerpenaars doofden de lichten, barstte het Sportpaleis los in het eerste oorverdovende applaus van vele die avond en kwam, na een kort introotje met een kermisorgel, de band het podium opgeklommen. En toen was het prijs: ‘Goeienavond België! Bonsoir Belgique! Is there anybody alive out there?’ Ja godverdomme ja, we zijn vertrokken!
En twee minuten later al de eerste traantjes in de ogen. Verdomme, wat ben ik toch een wijf. Tijdens een saxsolo van Clarence dan nog. Wat een verschijning, die Clarence. Zo’n negers maken ze niet meer! Op dvd was hij al imposant en hilarisch maar live komt hij pas echt tot zijn recht. Net als de rest van de band, trouwens. Het blijft absurd en tegelijkertijd geweldig om één van de Sopranos – Stevie! – op zijn gitaar te zien rammen als ware het een ontrouwe echtgenote of iemand die zijn maandelijkse afbetalingen niet op tijd aan James Gandolfini heeft bezorgd. De band werd zoals gewoonlijk voortgestuwd door menselijke metronoom Max Weinberg op de drums. Ook de rest van de E Street Band, die niet voor niets de beste begeleidingsband ter wereld wordt genoemd, klonken twintig jaar jonger dan ze eigenlijk waren.
Bruce leek het de eerste noten nog een beetje moeilijk te hebben maar zodra hij tijdens Radio Nowhere begon ‘I just wanna hear some rhythm‘ te schreeuwen, zag je meteen waarom deze man The Boss wordt genoemd. Wie Bruce in één woord wil samenvatten, kan niet om het woord onvermoeibaar heen. Wát een energie voor een man van bijna zestig. Ik zie het mijn vader niet doen. En de uwe zeker niet. Bruce geeft zich al een dikke dertig jaar tweehonderd procent bij elk optreden, iets wat geen enkele artiest hem ooit nadeed of na zal doen. Een pure brok rauwe energie, dat is Bruce.

De set bestond voor een groot deel uit nummers van zijn meest recente cd Magic. Ik kon daar moeilijk rouwig om zijn aangezien ik Magic het beste album van 2007 vind. Ook live bleven de nummers goed overeind en pasten ze verrassend naadloos tussen oudere klassiekers als No Surrender, Because The Night, Waitin’ On A Sunny Day ( mijn lievelingsnummer! eeuwige dank Bruce!) of Badlands. Enkel Girls In Their Summer Clothes, dat minder bombastisch klonk dan op cd, viel me een klein beetje tegen. Maar dat werd al snel goed gemaakt door het hilarische Santa Claus Is Comin’ To Town dat er meteen op volgde. Clarence met kerstmuts die het publiek verblijdde met Ho! Ho Ho!s, het moet mijn favoriete muzikale moment van 2007 zijn.
Opvallend was dat ook de nieuwe nummers door het publiek goed werden gesmaakt. Natuurlijk zong niet iedereen altijd mee, behalve dan de jolige Nederlanders, maar sfeer is er bij een optreden als dit te over. Wie een snelle blik over de tribunes wierp, zag dikwijls een stil zittende massa die nogal verveeld zat te kijken. Maar wie beter keek, zag honderden paren voetjes op en neer tikken, zag handengeklap all over the place en hier en daar de eerste gewaagde danspasjes. Wanneer Bruce dan een klassieker als Reason To Believe, The River of Born To Run inzette, vloog de volledige zaal recht en werd er luidkeels meegebruld. Jong en oud, Jan, alleman en de rest. Op en neer springende twintigers hier, swingende vijftigers daar en Wooo!s en Bruuuuce!s langs alle kanten.
De setlist was goed opgesteld. Er werd steeds op het juiste moment geswitcht tussen vrolijke popsongs en intiemere nummers waarbij Bruce zeer kwetsbaar zijn lyrics ten gehore bracht. Rustpauzes? Vergeet het, waar zijn die voor nodig. Het laatste akkoord van het ene nummer galmt nog door de speakers en – One! Two! Three! Four! – het volgende wordt al ingezet. Nu en dan geeft Bruce een kleine preek over Amerika om duiding te geven bij zijn nieuw materiaal maar vervelen doet het nooit. Hij was zelfs zo vriendelijk om geregeld een woordje Nederlands én Frans te praten tegen het publiek.
Tweeënhalf uur later, na een zeer geestig American Land als afsluiter, barstte het laatste monsterlijke applaus van die avond los, gecombineerd met een minutenlange staande ovatie. Ik bleef even verdwaasd staan kijken naar het lege podium, willekeurige gedachtes als ‘Ik heb zo net het beste optreden van mijn leven gezien’, ‘Is het al gedaan?’ en ‘God, wat ruik ik lekker’ door mijn hoofd spokend. Hoewel het concert vrij lang duurde, voelde het korter aan. Bruce en de zijnen balden tweeënhalf uur samen in een concert dat maar een uurtje leek te duren, alsof ze in al die jaren er gewoon in geslaagd zijn het tijd-ruimtecontinuum te doorbreken. Het zou me na dit concert eigenlijk nog niet zo erg verbazen.

Enkele cola’s later – verdomme, alweer die minder smakelijke vent – besloot ik dat het tijd was geworden om mijn schop af te kuisen. Nadat die mooi opgeblonken was, besloot ik om voor de verandering iets nuttigs te doen en het bos in te gaan. Veel was daar ook niet te beleven dus ging ik maar gewoon naar huis. Na een doldwaze rit vol gesprekken over verkeersboetes en meisjes zonder kleren – ja, we hadden allemaal al wat te veel cola op – arriveerde ik te elfder ure, eigenlijk rond half twee, in my hometown. Ik dankte de vader van de ravissante dame met de ravenzwarte haren voor het vervoer, groette de heren uit Zulte met de zinsnede ‘Gegroet, heren uit Zulte!’ en stortte me toen de koude decembernacht in. Mp3-speler in de oren, hem er weer uit gehaald omdat het nogal zeer deed, dan gewoon de oortjes van de mp3-speler in de oren, muts op, handschoenen aan en de fiets op. Nog een kwartiertje nagenieten. ‘Cause I’m waitiiing! Waitin’ on a sunny daaay! Gonna chase the clouds awaaay!‘ en meer van dat. Wees gerust, ik heb de katten in de gebuurte niet seksueel opgewonden door luidop te zingen, ik doe daar allemaal niet aan mee.
Bon, genoeg gezeverd. Hopende dat ik met dit bericht wederom enkele minuten van uw leven genadeloos heb weggekaapt, sluit ik af met vriendelijke groet. Of zoiets. Soit, tot de volgende. Misschien nog eens in het Nederlands?
Nooooooooo!
Shut up Darth Vader.
Keer op keer als je na een concert van Springsteen de zaal buiten stapt heb je het gevoel dat je net het beste concert van je leven hebt gezien. Daarom moet je hem op z’n minst één keer in je leven gezien hebben. Daarom trekken zijn optredens na veertig jaar meer volk dan ooit tevoren. Daarom, lieve lezers, noemen ook zijn beste vrienden hem The Boss. © De Morgen
That's what *they* said: